Alleen Groot-Brittannië en Denemarken hebben het recht buiten de eurozone te blijven.
Tsjechië nog lang euro-loos
Verwachten dat de Tsjechische republiek in 2014 of 2015 de euro zal invoeren is niet realistisch.
Dat vindt de minister van Financiën van Tsjechië Eduard Janota.
Tsjechië is het enige Oost-Europese EU-land dat tot op heden geen streefjaar heeft vastgesteld voor de invoering van de euro (wat overigens verplicht is voor alle EU-landen behalve Denemarken en Groot-Brittannië).
De gouverneur van de centrale bank van het land, Zdenek Tuma, heeft al eerder, in mei, gezegd dat de invoering van de euro geen magische oplossing is voor de problemen die de Tsjechische economie kent. Structurele problemen zullen met de komst van de euro niet ineens verdwijnen.
Oost-Europa en de euro: zo dichtbij en toch zo ver weg
Op het Londense kantoor van de Amerikaanse bank Morgan Stanley is begin augustus een interessant artikel geschreven over de vooruitzichten wat betreft de invoering van de euro in de Oost- en Centraal-Europese lidstaten van de Europese Unie.
Hoewel de bereidheid de euro in te voeren door de financiële crisis waarschijnlijk gestegen is, is het vermogen van die landen die stap te zetten behoorlijk verzwakt. Door de crisis zijn de begrotingstekorten fors gestegen en springen de lichten wat het inflatie-criterium betreft steeds vaker op rood.
Het inflatie-criterium stelt dat elk EU-land dat de euro wil invoeren, maximaal 1,5 procent hogere inflatie mag hebben dan het gemiddelde van de drie landen met de laagste inflatie in de Europese Unie (vreemd genoeg niet van de drie beste landen van de eurozone!). Volgens Morgan Stanley zouden de inflatiepercentages in Oost-en Centraal-Europa erg snel moeten dalen, naar tussen 1 en 1,5 procent. Een zeer lastige, zo niet onmogelijke opgave voor een economie in transitie.
De begrotingstekorten bedragen in de regio inmiddels door de crisis vaak 6 procent van het bruto binnenlands product of zelfs meer, wat een forse overschrijding is van het criterium van maximaal 3 procent van het bbp.
Zoals we regelmatig bericht hebben op deze site, heeft een aantal landen aangekondigd de euro later dan eerder gepland in te voeren.
Morgan Stanley meent dat 2014 het vroegste jaar is dat Polen in staat zal zijn de euro in te voeren. Tsjechië maakt nog geen aanstalten die stap te zetten. Bulgarije wil in 2013 klaar zijn en Roemenië in 2014, maar dat is veel te optimistisch vindt Morgan Stanley. Die landen, samen met Hongarije zullen pas in de tweede helft van het volgend decennium klaar zijn voor de omschakeling.
Het eerstvolgende euro-lid zal naar alle waarschijnlijkheid Estland zijn, in 2011 of 2012.
Open de deuren van de eurozone
Verschillende Oost-Europese landen willen graag versneld de euro invoeren. Een goed idee?
Onder meer Hongarije en Polen vragen om versoepeling van de criteria om de euro in te mogen voeren. Die criteria zijn in de jaren negentig vastgesteld om ervoor te zorgen dat ook bij de uitbreiding van de eurozone, de euro stabiel blijft. De voorwaarden leggen onder meer een maximum op voor de inflatie, het begrotingstekort en de staatsschuld.
Heel simpel gesteld, geldt voor Nederland dat hoe meer landen de euro hebben, hoe beter dat is. Nederland is een handelsnatie bij uitstek en moet het voor zijn welvaart vooral van de handel met het buitenland hebben. Een gezamenlijke munt maakt handel makkelijker en goedkoper en draagt zo bij aan de welvaart in de polder.
Hoe onvolmaakt de interne markt ook is – zo is de grootste sector, de dienstensector, uitgezonderd ervan – het voordeel voor Nederland bedraagt tussen 1.500 en 2.200 euro per persoon, elk jaar weer, aldus het Centraal Planbureau in een onderzoek vorig jaar.
Maar zoals al gezegd, hoe meer, hoe beter is het basisuitgangspunt. Behalve het aantal landen is ook van belang welke landen de euro hebben. Kwantiteit zegt niets als de kwaliteit matig is.
Club Med
Het is maar de vraag of het met die kwaliteit nu zo goed is gesteld in de eurozone. Italië, Portugal, Spanje, Griekenland en Frankrijk hebben sinds de invoering van de euro keer op keer aangetoond zich van die afspraken die, en dat kan niet te veel worden benadrukt, voor de stabiliteit van de euro goed zijn, weinig tot niets aan te trekken.
- Staatsschuld maximaal 60 procent van het bruto binnenlands product? Of, als dat niet lukt, in ieder geval dalend?
De Italiaanse staatsschuld lag in 1999 ver boven de grens van 100 procent van het bbp en is in al die jaren niet gedaald. Hetzelfde geldt voor Griekenland. België kampte in 1999 ook met een staatsschuld van meer dan 100 procent van het bbp, maar dat land pakte zijn schuld aan. Die is nu nog aan de hoge kant, maar wel aanzienlijk lager dan bij de invoering van de euro.
- Begrotingstekort maximaal 3 procent van het bbp én in goede jaren balans of als het even kan overschot op de begroting?
Italië – het is ook altijd Italië – is al die jaren lichtjaren verwijderd geweest van het evenwicht op de begroting, laat staan van een overschot. Frankrijk trekt zich ook niets van die afspraak na. En Griekenland loog jarenlang stelselmatig over zijn tekort, zo bleek enkele jaren geleden.
Zo bezien zijn landen als Tsjechië, Polen en de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen veel geschikter als partners voor een muntunie dan de wat ook wel de Club Med landen wordt genoemd.
In goede economische tijden hebben die landen veel structurele hervormingen doorgevoerd, op de arbeidsmarkt, in de sociale zekerheid en in talloze andere sectoren in de economie. In deze crisistijden schromen ze niet daarmee door te gaan.
Ambtenarensalarissen verlaagd
Letland en Litouwen hebben de lonen van ambtenaren met 15 respectievelijk 12 procent verlaagd. Estland is van plan hetzelfde te doen. Ter vergelijking: de Griekse ambtenaren kregen er vorig jaar, alsof er niets aan de hand was, 7,6 procent loon erbij. Dit jaar, ondanks het torenhoge tekort en almaar uitdijende staatsschuld komt daar nog eens een verhoging van 6,1 procent bij.
De overheden van Estland, Litouwen en Letland willen hun munten niet devalueren om zo hun export goedkoper te maken. Dat lost niets op, aldus de hoogste centrale bankier van Letland. Devaluatie zou slechts uitstel betekenen van noodzakelijke hervormingen binnen bedrijven en de hele economie.
Dat staat in schril contrast met een land als Italië waar zelfs de hoogste regeringsfunctionarissen hunkeren naar de lira, omdat ze die in waarde konden laten zakken. Dat gaf de Italiaanse economie tijdelijk wat lucht maar legde tegelijkertijd de basis voor nog grotere problemen jaren later.
Of de criteria voor de toetreding versoepeld moeten worden of niet, daarover zal de komende weken en maanden ongetwijfeld uitgebreid gesproken worden. De criteria waren vanaf het begin al controversieel en vaak alles behalve logisch.
Zo luidt één van de voorwaarden dat de inflatie maximaal 1,5 procent hoger mag zijn dan de gemiddelde inflatie in de drie qua inflatie best-presterende EU-landen. Waarom dat criterium niet logisch is, bleek in 2006. Litouwen kreeg in dat jaar te horen dat het geen euro mocht invoeren. Het land voldeed ruimschoots aan alle voorwaarden, alleen was de inflatie 0,1 procent te hoog.
Inflatiegrens
Het probleem was alleen dat de inflatiegrens werd bepaald door de drie EU-landen met de laagste inflatie: Polen, Finland en Zweden. Alleen Finland is daadwerkelijk een eurozone land. Polen voldeed (en voldoet) niet aan de voorwaarden en Zweden kiest er nog steeds met opzet voor geen euro in te voeren.
Landen die geen lid zijn van de club bepalen het lot van de aspirant-leden. Zoiets kan alleen in Europa. Veel economen menen dat de voorwaarden die betrekking hebben op de inflatie, wisselkoers en langetermijnrente economische onzin zijn.
De uitbreiding van de eurozone kan beter vroeg dan laat plaatsvinden. Op de korte termijn is de beste oplossing landen als Polen en de Baltische staten versneld toe te laten tot de eurozone. Dat zou in één keer veel problemen, zoals het wisselkoersrisico, in die landen wegnemen en via die weg een enorme stimulering voor de Europese economie zijn.
Om ook op de langere termijn de euro te behouden, met alle voordelen van een gemeenschappelijke munt, moet er meer gebeuren. Mijns inziens moet er een mechanisme komen om ook leden te kunnen royeren. Het zijn niet de toekomstige Oost-Europese landen die de euro de afgrond in kunnen trekken, daar zijn ze te klein voor, maar landen als Italië, Griekenland en Portugal. Die landen hebben de gouden economische jaren gebruikt om achterover te leunen en niet voor structurele maatregelen om overheidsfinanciën houdbaar te maken.
Fout gedaan
Veel economen stellen daarom hard dat ze alles wat ze fout konden doen sinds de invoering van de euro, ook fout hebben gedaan. Met die landen erbij is het uiteenvallen van de eurozone alles behalve een utopie op de middellange termijn, ondanks dat Jean-Claude Trichet, president van de Europese Centrale Bank, onlangs riep dat de eurozone "geen zwakke schakels kent".
De voordeur openzetten voor enkele Oost-Europese landen en tegelijk via de achterdeur de free riders eruit zetten, is de redding van de euro op de langere termijn.