|
18 april 1951:
Zes landen, waaronder Nederland, richten in Parijs de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. De EGKS zal later uitgroeien tot de Europese Unie.
29 december 1958:
European Monetary Agreement komt tot stand. Het doel: inwisselbaarheid van Europese munten en onderlinge handel bevorderen
Eind jaren zestig:
Het internationale monetaire stelsel, waar bij de valuta’s van de vrijemarkteconomieën aan de Amerikaanse dollar waren gekoppeld, vertoont tekenen van zwakte. In Europa loopt de wisselkoersstabiliteit gevaar. Daardoor neemt de druk voor een nieuw raamwerk om voor meer stabiliteit in Europa te zorgen, toe.
1 en 2 december 1969:
In Den Haag spreken Europese leiders af te streven naar de oprichting van een monetaire unie. De Luxemburgse minister-president Pierre Werner moet een werkgroep aansturen die zich buigt over de vraag hoe dat doel te verwezenlijken.
8 oktober 1970:
Pierre Werner en zijn werkgroep is eruit en presenteert het Werner-rapport. Een economische en monetaire unie moet in drie stappen en binnen dien jaar tot stand komen. De belangrijkste economische en monetaire beslissingen zouden op het Europese niveau genomen worden. Daartoe moeten de lidstaten bevoegdheden overdragen aan Brussel. Er moet een gezamenlijke munteenheid komen en uiteindelijk moet de muntunie het economisch beleid in Europa verenigen.
De drie stappen:
1) Verkleining van de marges waarbinnen de wisselkoersen van verschillende Europese munten tegenover elkaar mogen schommelen ; brede richtlijnen voor economisch beleid op Europees niveau vaststellen, coördinatie van nationale begrotingsbeleid
2) Integratie van financiële markten en banksystemen om tot vrij verkeer van kapitaal te komen; verdere verkleining van wisselkoersschommelingen, nauwere coördinatie over economisch beleid gericht op de korte termijn en begrotingsaangelegenheden
3) Onherroepelijke vaststelling van wisselkoersen van nationale munten die zouden opgaan in een Europese munt; oprichting van een gezamenlijke centrale bank
15 augustus 1971:
De Amerikaanse President Richard Nixon maakt bekend dat de VS afstapt van de koppeling van de dollar aan het goud. Inwisselen van dollars voor goud kan niet meer. Het internationale monetaire stelsel valt uit elkaar en een golf van instabiliteit overspoelt valutamarkten. Het project van monetaire unie in Europa wordt tijdelijk verlaten.
24 april 1972:
Zes Europese landen, waaronder Nederland, richten het zogeheten ‘slang in de tunnel’ mechanisme op. Ze spreken af dat de wisselkoersen van hun munten veel minder mogen schommelen dat tegenover de Amerikaanse dollar. Weergegeven in een grafiek lijkt het Europese mechanisme op een slang binnen de toegestane schommeling tegenover de dollar (=tunnel).
De eerste oliecrisis in 1973 gooit roet in het eten en het mechanisme brokkelt af. In 1974 zijn alleen nog Duitsland, Denemarken en de Benelux in staat zich te handhaven.
5 december 1978:
De Europese droom – de muntunie – krijgt een herkansing. Op basis van een Frans-Duits initiatief richten Europese leiders op hun bijeenkomst in Brussel het Europese Monetaire Stelsel op, met als doel stabiliseren van wisselkoersen, vermindering van inflatie. Dat alles om weg te effenen naar monetaire integratie. De wisselkoersen van munten van de deelnemende landen mogen maximaal 2,25 procent van elkaar afwijken. Alleen Italie en het VK krijgen een speling van 6 procent.
1979:
De tweede oliecrisis steekt de kop op. Europa concentreert zich op de creatie van de gemeenschappelijke markt. De monetaire unie verdwijnt naar de achtergrond.
17 en 28 februari 1986:
Poging nummer drie voor een muntunie in Europa: ondertekening van de Europese Akte, waarin de monetaire unie nieuw leven wordt ingeblazen.
28 juni 1988:
In Hannover richten Europese leiders een werkgroep in onder leiding van toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Fransman Jacques Delors. Die krijgt als taak ‘met concrete voorstellen te komen die tot de oprichting van de Europese economische en monetaire unie moeten leiden.’
12 april 1989:
Jacques Delors presenteert zijn rapport. Een muntunie moet er in drie stappen komen. Meeste voorstellen zouden een paar jaar later terugkeren in het Verdrag van Maastricht.
27 juni 1989:
Een jaar na hun top in Hannover, komen de Europese leiders in Madrid bijeen. Zij nemen het Delors-rapport aan. De eerste fase van de muntunie moet ingaan op 1 juli 1990, besluiten ze.
8 en 9 december 1989:
In Straatsburg valt het besluiten veranderingen op Europese verdragen voor te bereiden om de Europese Monetaire Unie mogelijk te maken.
7 februari 1992:
Onder grote aandacht ondertekenen Europese leiders in Maastricht het Verdrag van Maastricht. Een gemeenschappelijke munt moet op 1 januari 1999 komen. De landen maken afspraken over criteria die vervuld moeten zijn om mee te doen.
16 september 1992:
Grote storm woedt op de valutamarkten. Het Britse pond en de Italiaanse lire komen zo sterk onder vuur van speculanten te liggen, dat ze zich niet kunnen handhaven binnen de toegestane bandbreedte ten opzichte van andere Europese munten. Zij verlaten het wisselkoersmechanisme. Die dag gaat de geschiedenisboeken in als de ‘zwarte woensdag’.
2 augustus 1993:
De Spaanse peseta en de Franse franc staan onder hevige druk. Onder Franse druk verruimen Europese landen de bandbreedte waarbinnen de koersen mogen schommelen van 2,25 procent ten opzichte van de spilkoers naar 15 procent boven of beneden de spilkoers. Nederland en Duitsland kiezen ervoor voor de gulden en de mark de oude marge te handhaven.
29 oktober 1993:
Hoewel Nederland graag het Europese Monetaire Instituut die later moet opgaan in de Europese Centrale Bank naar Amsterdam heeft willen halen, kiezen de lidstaten voor Frankfurt.
1 januari 1994:
De tweede fase van de oprichting van de Europese Monetaire Unie gaat van start met de oprichting van het Europese Monetaire Instituut. Dat moet de transitie naar een munt in Europa en de oprichting van de Europese Centrale Bank voorbeiden.Fransman Alexandre Lamfalussy wordt de President van het instituut.
16 december 1995:
In Madrid besluiten Europese leiders dat de gemeenschappelijke munt de euro zal heten. De laatste fase van de monetaire unie moet op zijn laatst op 1 januari 1999 ingaan. ZO vroeg mogelijk in 1998 zal besloten worden welke landen mee mogen doen. De eerste drie jaar wordt de euro alleen giraal ingevoerd. Op 1 januari 2002 komen de euromunten en bankbiljetten in omloop. De nationale munten mogen daarna maximaal een half jaar naast de euro in omloop zijn. Later zou die periode gemaximaliseerd worden op twee maanden.
16 en 17 juni 1997:
Sommige lidstaten, vooral Nederland en Duitsland, willen extra garanties dat alle landen die de euro zullen invoeren hun financiën niet laten ontsporen. In Amsterdam ondertekenen de regeringsleiders het Stabiliteit en Groeipact. Dat moet voor fiscale discipline zorgen.
3 mei 1998:
Staats- en regeringsleiders besluiten in Brussel dat elf landen van de Europese Unie voldoen aan de voorwaarden om de euro in te voeren op 1 januari 1999: Belgie, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk Portugal en Finland.
1 juni 1998:
De Europese Centrale Bank wordt geboren. De Nederlander Wim Duisenberg wordt de eerste President van de bank.
31 december 1998:
De wisselkoersen van de munten van de elf landen waartegen ze zullen opgaan in de euro worden vastgesteld.
1 januari 1999:
De Europese Monetaire Unie is een feit. De euro wordt geboren.
20 juni 2000:
Griekenland krijgt het groene licht toe te treden tot de eurozone.
28 september 2000:
De Denen zeggen ‘nee’ tegen de euro.
Vanaf september 2001:
Eerste setjes van euromunten en biljetten worden verspreid onder banken en winkeliers in de eurozone.
December 2001:
Ruim 150 miljoen setjes euromunten (ter waarde van meer dan 1,6 miljard euro) komen beschikbaar voor Europeanen om alvast te wennen aan het nieuwe geld. Op bankbiljetten moeten ze wachten tot 1 januari 2002.
1 januari 2002:
Euromunten en bankbiljetten komen in omloop.
28 februari 2002:
De laatste dag waarop de nationale munten van twaalf landen die de euro invoeren geldig zijn. Dat geldt ook voor de gulden.
14 september 2003:
De Zweden zeggen ‘nee’ tegen de euro.
1 januari 2007:
Slovenië, sinds mei 2004 lid van de Europese Unie, voert de euro in. De teller staat nu op 13.
1 januari 2008:
Ook Malta en Cyprus hebben in de loop van 2007 toestemming gekregen euro in te voeren. Dat gebeurt op de eerste dag van 2008. 15 van de 25 EU-lidstaten hebben nu de euro als hun nationale munt.
1 januari 2009:
Slowakije wordt het zestiende land van de eurozone.
 |